Startpreek Mt. 25:31-46
Sermon • Submitted • Presented
0 ratings
· 11 viewsNotes
Transcript
Introductie
Introductie
Broeders en zusters in Christus,
Wat zou je tegen je naasten zeggen, als je weet dat je niet lang meer te leven hebt? [...] Het is een indringende vraag; een vraag die je stilzet bij wat er voor jou écht toe doet en wat jouw naaste nú nodig hebben.
Vanaf Mattheüs 24 is hij met zijn leerlingen in gesprek op de olijfberg over “de laatste dingen” over wat er gebeurd als de wereld ten einde komt; en de gelezen verzen uit mattheus 25 zijn de conclusie van deze olijfbergrede, de laatste rede van Jezus, voordat Hij twee dagen later wordt uitgeleverd om gekruisigd te worden. Wat zou Jezus tegen zijn leerlingen zeggen, nu Hij weet dat Hij niet lang meer te leven heeft? [Mooie, stichtelijke uitspraken van Jezus in het evangelie naar Mattheus] Hij heeft het allemaal gezegd, maar niet hier, niet hier in zijn laatste rede. Hier geeft hij een inkijkje in het laatste oordeel. Het is een ingewikkeld en ongemakkelijke laatste rede.
[ het stuk door:
oordeel: er wordt ingegrepen. Het onrecht blijft niet onbestraft
scheiding tussen schapen en bokken
Waarop wordt de scheiding gemaakt
Antwoord van de schapen
Kern
Negatieve spiegel]
[vragen en ongemakken bij dit stuk]
Terugkomend op de vraag aan het begin: Wat zou je tegen je naasten zeggen, als je weet dat je niet lang meer te leven hebt? Mijn vader heeft met deze vraag moeten worstelen, gaf uiteindelijk dit antwoord: “Alles wat jullie doen voor de geringste van jullie broeders en zusters, dat doen jullie voor Jezus.” Ja, Mattheüs 25 is ingewikkeld en ongemakkelijk, maar zijn antwoord maakte mij duidelijk dat het eigenlijk ook kindseenvoudig en hoopvol is.
OF:
Maakt het uit wat ik doe? [vraag uitpakken, in het licht van klein en groter nood]. Maakt het eigenlijk wel uit wat ik doe? Op die vraag zijn verschillende antwoorden te geven. Iemand die God niet kent zal deze vraag uiteindelijk negatief moeten beantwoorden. Uiteindelijk dooft de zon uit, en is het einde verhaal. Natuurlijk, leuk als we in stijl ten onder gaan, maar uiteindelijk maakt het niet zoveel uit; als je een ongelukkig, noodlottig leven hebt gehad, helaas, maar niks meer aan te doen. Een gelovige kan een antwoord geven dat er eigenlijk best wel op lijkt; uiteindelijk maakt het niet uit wat ik doe; tuurlijk moeten we het een beetje netjes houden, maar uiteindelijk gaat het niet om wat ik doe, maar om wat Jezus voor ons heeft gedaan.
Mattheüs 25 daagt beiden uit: het maakt uit wat je doet, prachtig, maar dat snijdt aan twee kanten.
Dat betekent dat ons geloof niet los te maken is van ons handelen tegenover de ander. Wie God liefheeft, ontmoet Hem juist in de mensen die niets terug te geven hebben.
Focus: Bij het laatste oordeel zal de verheerlijkte Jezus scheiding tussen hen die Hem door zorg voor de geringste hebben gediend, en hen die dit hebben nagelaten.
Functie: De hoorders aanzetten om zorg te dragen voor de geringste broeders en zusters, in Wie Christus ons zelf tegemoet komt.
[Moedeloosheid door al het onrecht in de wereld]
Broeders en zusters in Christus,
Waar is God? Die vraag komt als vanzelf op door de oeverloze stroom aan berichten van onrecht die ons dagelijks bereikt. Berichten van kinderen die sterven door het geweld van volwassenen; van vrouwen die elk recht op zelfbeschikking wordt ontnomen [...]. Waar is God in al dit onrecht? Waarom grijpt Hij niet in? Waarom maakt Hij er geen einde aan? Het liefst nu meteen!
We lazen zojuist het einde van Jezus rede op de Olijfberg; zijn laatste rede, voordat Hij, twee dagen later, uitgeleverd zal worden om te worden gekruisigd. Aan het eind van deze rede spreekt Jezus over het laatste oordeel. Hij zal alle volken samenbrengen voor Zijn glorierijke troon. En dan… dan zal Hij rechtspreken. Net als een herder maakt Hij scheiding tussen schapen en bokken. En op basis waarvan maakt Jezus dan deze scheiding? Op basis van ons geloof toch zeker?
In mattheüs 25 blijkt dus dat Jezus ingrijpt. Een einde zal maken aan het onrecht, en werkelijk recht zal spreken. Het kind dat naamloos en grafloos stierf in de oorlog is niet onopgemerkt gebleven. De bedelaar die door iedereen voorbijgelopen en veracht werd, heeft Jezus gezien en geliefd. Onze broeders en zusters, die omwille hun geloof met de dood hebben moeten bekopen, Jezus heeft het gezien. En dat zou ons toch niet moeten verbazen dat dit Jezus laatste rede is. In zijn eerste rede in het Mattheüsevangelie, de bergrede, zegt Hij ook: zalig zijn de treurenden, want zij zullen getroost worden; zalig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden; zalig ben je wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten, want je zult rijkelijk beloond worden in de hemel. God laat al het onrecht niet ontbeantwoord. In het Koninkrijk van God kan het onrecht niet blijven bestaan, het moet geoordeeld worden. God ziet om naar de geringste van ons; het goede nieuws! Dat mag ons hoopvol stemmen; als onszelf grof onrecht is aangedaan, als we zien dat er onrecht wordt gedaan, waar we zelf niets aan kunnen doen; God zál rechtspreken. Het kleinste recht en onrecht is Hem niet ontgaan! Haleluja!
Tegelijk snijdt dit zwaard aan twee kanten; hoe gaan wij eigenlijk zelf om met de onaanzienlijksten van onze naasten? Dat maakt Mattheüs 25 ook ongemakkelijk, voor mij in ieder geval. Hoe vaak loop ik wel niet iemand voorbij, die mijn hulp nodig heeft? Hoe vaak laat ik het wel niet na om een zieke naasten te bezoeken?
Betekent dat dan dat we het koninkrijk uiteindelijk toch zelf moeten verdienen? Als we er altijd voor andere zijn, verdienen we het. Laten we dat na dan worden we voor eeuwig buiten geworpen? Dat zij verre! De schapen beroemen zich nergens op; ze zeggen niet: “Yes! We wisten het. We hebben inderdaad veel goeds gedaan voor iedereen!” Nee, ze zijn stomverbaast: “Wij? Maar hoe dan? En wanneer dan? En trouwens, als dat zo was, had Jezus ons na deze laatste rede alleen kunnen laten: “Ik heb jullie nu alles verteld wat jullie moeten weten, nu is het aan jullie! Succes ermee!” Niets van dat. Twee dagen nadat Jezus deze laatste rede had uitgesproken, werd Hij uitgeleverd, en gekruisigd, om 3 dagen later weer op te staan. Zonder de dood en opstanding van Christus, waren we allemaal, hoe veel goeds je ook hebt gedaan, hopeloos verloren geweest. Ook als we omkijken naar onze naasten, is er immers nog genoeg in ons dat niet geschikt is voor Gods koninkrijk. “Phoe, gelukkig!” - denkt u misschien. Uiteindelijk maakt het dan toch niet zoveel uit, uiteindelijk is er genade, uiteindelijk komen we toch wel weg met het onrecht dat we bedrijven. Vanuit Mattheüs 25 kan ik volgens mij niet anders dan deze redenering ontmaskeren als aflaat. Tuurlijk, mogen wij altijd terugvallen op de genade van onze Heere Jezus Christus, die ons met Zijn eigen bloed heeft vrijgekocht. Maar daarom, juist daarom, omdat we Hem volgen die zichzelf tot de allerminste van ons allemaal heeft vernederd, die aan God gelijk was en de gestalte van een slaaf heeft aangenomen, juist daarom dragen we de zorg voor de geringste van onze broeders en zusters. In de geringste van onze broeders en zusters komt Jezus uiteindelijk zelf tot ons: voor zover u een van deze dingen voor een van de minste van mijn broeders of zusters heeft gedaan, zo heeft u dat voor mij gedaan. En, negatief gesteld, voor zover u dat niet voor een van hen hebt gedaan, heeft u dat ook niet voor mij gedaan. Juist ons geloof in Jezus, ons vertrouwen op zijn genade, zet ons aan om om te zien naar de noden van de minste van ons. En dat is soms, misschien zelfs wel heel vaak, een pijnlijk, ongemakkelijk besef; als we zien dat mensen uit onze omgeving die niet geloven zoveel goeds doen voor hun naasten. Dat is ongemakkelijk. Maar niemand heeft ooit gezegd dat het oordeel makkelijk moet zijn, comfortabel. er is immers geen gebod groter dan deze: heb God lief; en je naasten als jezelf.
Amen.
