Het gebed uit de diepte/ genade in de maag van de dood.
Notes
Transcript
Jona 2:1-10
Ps 130:1-8
Matt 12:40
Hebr 12:5-11
Inleiding
Inleiding
We reizen mee met Jona. We zijn van zijn woonplaats Gath-Hefer, afgedaald naar Joppe. In Joppe zijn we aan boord gegaan van een schip dat naar Tarsis (Spanje) voer. Toen zijn we met Jonah afgedaald in het ruim van het schip en daar zagen we hem slapen terwijl het schip bijna in tweeën brak. Vervolgens waren we getuige van zijn afdaling in de zee. Het zoú zijn dood geweest zijn als God niet op Zijn ongekend, genadige manier ingegrepen heeft.
Het eerste dat wij vandaag moeten begrijpen is dat Jona gestraft werd onder Gods liefdevolle hand. Zelfs Jona zag dit als de hand van God. Hij gaf niet de zeemannen de schuld ( vers 3) “Want U wierp mij de diepte in”zegt hij in zijn gebed. Als hij́ het zo zag, mogen wij daarin meegaan. We zijn er altijd als de kippen bij om te zeggen dat God niet straft, dat God niet tuchtigt, en als mensen het in hun eigen leven wel zo zien dan voelen veel christenen zich geroepen om dat te ontkrachten. Wees daar niet te snel mee.
Je weet niet wat mensen beleeft hebben met God. Je weet niet wat God door Zijn Woord en Geest aan hen heeft getuigt door tot hun geweten te spreken! Dat is juist heel persoonlijk!
Het letterlijke dieptepunt
Het letterlijke dieptepunt
Je weet dat je op het dieptepunt in je leven bent beland als je in plaats van op een schip naar Spanje, in de buik van een vis op de diepte van de zee bent met rottend zeewier op je hoofd (5) Jona wist het zeker, dieper kon hij niet zinken. Van Man Gods naar vluchteling. En God heeft hem bezocht. ZIjn positie: Levend in de dood. Levend in het verderf van de maag van de vis. Een prachtig beeld van de Heiland zelf die 3 dagen en drie nachten in de dood was ( het hart van de aarde zegt de Bijbel ( Matt 12:40). Vorige week heb ik een fout gemaakt. Ik preekte toen en zei: nadat die kapitein bij hem kwam, toen begon Jona te bidden. Maar in heel hoofdstuk 1 lezen we niet van Jonah die bad. Gods Woord kwam tot hem, Hij belsoot te vluchten. Hij ging slapen aan boord van het schip. En in de grote nood, bad ieder bemanningslid tot hun drekgoden, hun afgoden, maar Jona, in contact met de Levende God, hield zijn lippen stijf op mekaar en zijn hart gesloten. geen gebed is over zijn lippen gekomen, niet tijdens zijn wandeling naar Joppe, niet toen hij aan de loopplank van het schip stond, niet aan boord en niet in zee.
Hoofdstuk twee maakt ons bekend wanneer hij begint te bidden. Niet toen hij in de grimmige kaken van de dood keek, maar toen hij in de maag van de vis zat. Op het dieptepunt van zijn menselijke bestaan. Letterlijk ( vers 5 verteld hoe Jonah ervoer dat hij is afgedaald tot in in de diepste ravijnen in zee ) maar ook geestelijk. Zo ver van God weg. Weet u God spreekt wel dat Hij de zonden in de diepten der zee gooit, maar nu is de zondaar met zijn zonden zo diep dat geen mens er meer bij kan. Niemand kan hem nu nog helpen. (Mic 7:19) Als Jona een stuk drijfhout had gepakt en zich daaraan had vastgeklampt had ( hoewel de kans klein was) een ander schip hem op kunnen pikken. Maar nu zo diep in het hart van de aarde, onder de zee, in de maag van de vis, nu kan geen mens erbij. Het is Jonah en donkerte en rottend, verterend voedsel en…. God. Daar in de stilte van de maag, daar welt een gebed op.
Een bijzonder gebed
Een bijzonder gebed
Is u iets opgevallen aan dit gebed van Jona? En neemt u uw eigen gebeden wel eens onder de loep? Het is weleens gezegd dat het “onze Vader” het volmaakte gebed is waarin Verheerlijking, dankzegging en beden elkaar afwisselen.
Als ik mijn gebeden onder de loep leg dan is het al heel snel dat ik uitkom bij dat wat ik denk nodig te hebben en dat leg ik dan bij de Heere neer. Mijn lijstjes, mijn verlangen, mijn noden. Een gebed gaat al snel ongeveer zo:
Heere ik heb dit nodig wilt u daarvoor zorgen, ik mis dat in mijn leven maar ik geloof dat U het aan kunt vullen. En weet u Heere, als ik dan toch bezig ben, heeft u ook nog zus en zo voor me.. Dank U wel, om Jezus wil, Amen…
Herkent u dat? Misschien zouden we allemaal in de leerschool bij de discipelen moeten. Zij hadden de Heere Jezus waargenomen toen Hij bad en daar waren ze van onder de indruk geraakt. En Johannes had het ook aan zijn disicipelen geleerd en dat was zo anders, zo veel rijker, dat de discipelen uiteindelijk gevraagd hebben: Heere, leer ons bidden. ( Luk 11:1)
Dat gebed van Jona is helemaal anders.
Het was een direct gevolg van Gods kastijding/ straf. Wij moeten leren dat als God zijn kinderen straft, hij dit uit liefde doet. ( Hebr 12:5-11)Bestraffing van God de Vader heeft altijd een doel zegt Hebr 11:9 ons. Het doel is onderwerping van ons aan Zijn wil en Zijn plan.De zeelieden wierpen Jona niet in de stormachtige zee; dat deed God. “U wierp mij in de diepte… al uw golven en baren sloegen over mij heen” (vs. 3, NBV21, cursivering van mij). Toen Jona die woorden sprak, erkende hij dat God hem tuchtigde en dat hij het verdiende. De manier waarop wij op tucht reageren, bepaalt hoeveel profijt we ervan hebben. Volgens Hebreeën 12:5-11 hebben we verschillende opties: we kunnen Gods tucht verachten en vechten (vs. 5); we kunnen ontmoedigd raken en verslappen (vs. 5); we kunnen ons tegen tucht verzetten en een strengere tucht uitnodigen, mogelijk zelfs de dood (vs. 9); of we kunnen ons aan de Vader onderwerpen en groeien in geloof en liefde (vs. 7). Tucht is voor de gelovige wat oefening en training zijn voor de atleet (vs. 11); het stelt ons in staat de wedstrijd met volharding te lopen en het toegewezen doel te bereiken (vs. 1-2). Het feit dat God Zijn dienaar strafte, is het bewijs dat Jona werkelijk een kind van God was, want God tuchtigt alleen Zijn eigen kinderen. “Maar als u geen tucht draagt, die allen wel ontvangen hebben, dan bent u onecht en geen kinderen” (vs. 8). En de vader tuchtigt ons in liefde, zodat we “later” mogen genieten van “de vreedzame vrucht van gerechtigheid” (vs. 11).
Nu is Jona bestraft en de vis zit er mee in zijn maag.Maar de bestraffing heeft dus nut. Jona krijgt hier, ook wij krijgen met de bestraffing, deel aan ZIjn Heiligheid. Jonah ontvangt hier een vreedzame vrucht van gerechtigheid zegt de Bijbel.
Maar kijk nou eens eventjes naar dat gebed! Niks van geef me dit, en acht ik zit zo diep, en help me nou toch eens uit de ellende. Jona heeft naar binnen gekeken. Hij is wakker geschud. Jonah was overtuigt door de Heere. Overtuigd van zonde. Dat is het ultieme doel van straf of kastijding: dat wij tot overtuiging worden gebracht en het belijden.
Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn,
maar wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.
Hier in de buikholte van de vis, kwam hij erachter dat hij de aanwezigheid van de Heere had verloren ( Jon 2:4) Hij was er achter gekomen dat hij de duivels leugens was gaan geloven. ( Jon 2:8)Deze hadden hem doen besluiten ongehoorzaam te worden aan God en op de vlucht te gaan. En toonde Hij oprecht berouw over zijn zonden ( Jon 2:9).
Het gebed van Jona komt uit citaten van ten minste 15 psalmen. Het was niet zomaar een gebed, er zat zelfs poezie in zijn gebed. Maar het is zeker geen afstandelijk of onpersoonlijk gebed. Soms bidden we gebeden die niet zomaar onvoorbereid uit ons hoofd zijn, maar uit een gebedenboek of iets dergelijks, dat betekend niet dat het afstandelijk of onpersoonlijk is.
Weet je wat ik zo mooi vind. Soms trekt God zich als het ware terug totdat wij weten dat we schuldig zijn. En als we dan Gods aangezich zoeken, en Hem in onze benauwdheid zoeken zal Hij antwoorden. Zo staat het ook in de Psalmen: NIet altijd zal God boos blijven…
Jona vraagt eigenlijk niets, maar belijd alleen maar over wat hij misdaan heeft en hoe alles gegaan is. En hij spreekt in geloof uit dat God hem niet laat zitten.Hij gelooft dat God goed is en hem het leven terug zal geven…
En het mooiste: Hij belooft iets aan de Heere. Wat ik beloofd heb, zal ik nakomen. Wat is dat dan?
Van Opstandig en ongehoorzaam bekeert Jona zich tot een opnieuw toegewijde dienaar van de Heere. Het was de goedheid van God die hem weer tot bekering bracht.
God hoorde Jona's roep om hulp. Gebed is een van de constante wonderen van het christelijk leven. Het is toch wonderbaarlijk dat onze God zo groot is dat Hij de roep van miljoenen mensen tegelijkertijd kan horen en persoonlijk met hun behoeften kan omgaan! Een ouder met twee of drie kinderen vindt het vaak onmogelijk om altijd aan al hun behoeften te voldoen, maar God is in staat om voor al Zijn kinderen te zorgen, waar ze ook zijn of wat hun behoeften ook zijn. "Hij die heeft leren bidden," zei William Law, "heeft het grootste geheim van een heilig en gelukkig leven geleerd."
Wat redde Jona? Zijn geloof in Gods belofte. Welke belofte? De belofte die inhoudt dat men ‘kijkt in de richting van Gods heilige tempel’ (2:4, 7). Toen koning Salomo de tempel in Jeruzalem inwijdde, vroeg hij God om deze speciale gunst (1 Koningen 8:38-40, NBV21): Elk gebed, elke smeekbede die door iemand wordt uitgesproken, of door heel uw volk Israël, wanneer ieder de plaag van zijn eigen hart kent en zijn handen uitstrekt in de richting van deze tempel, luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, vergeef en grijp in. Geef ieder wat hij verdient, overeenkomstig zijn gedrag, want u kent zijn hart… Dan zullen ze u ontzag tonen zolang ze leven in het land dat u onze voorouders hebt gegeven. Jona claimde die belofte. In geloof keek hij in de richting van Gods tempel (de enige manier om te kijken was omhoog!) en vroeg God hem te bevrijden; en God hield Zich aan Zijn belofte en verhoorde zijn roep. ‘Ik dacht aan de HEER’ (Jona 2:7) betekent: ‘Ik handelde op basis van Zijn toezegging aan mij.’ Jona kende Gods verbondsbeloften en hij claimde ze.
Hij onderwierp zich aan Gods wil (Jona 2:8-9). Nu geeft Jona toe dat er afgoden in zijn leven waren die hem beroofden van de zegen van God. Een afgod is alles wat God de genegenheid en gehoorzaamheid ontneemt die Hem rechtmatig toebehoren. Een van die afgoden was Jona's intense patriottisme. Hij was zo bezorgd om de veiligheid en welvaart van zijn eigen natie dat hij weigerde Gods boodschapper te zijn voor hun vijanden, de Assyriërs. We zullen in hoofdstuk 4 leren dat Jona ook zijn eigen reputatie beschermde (4:2), want als God Ninevé spaarde, zou Jona worden bestempeld als een valse profeet wiens waarschuwende woorden niet waren uitgekomen. Voor iemand die beroemd was om zijn profetieën (2 Koningen 14:25) zou dit verwoestend zijn.
Jona sluit zijn gebed af met het uitspreken van enkele plechtige geloften aan de Heer, geloften die hij echt van plan was te houden. Net als de psalmist zei hij: "Ik zal Uw huis ingaan met brandoffers, ik zal U mijn geloften betalen, die mijn lippen hebben uitgesproken en mijn mond heeft gesproken toen ik in nood was" (Psalm 66:13-14, NBG51). Jona beloofde God in de tempel te aanbidden met offers en dankliederen. Hij vertelt ons niet welke andere beloften hij aan de Heer deed, maar een ervan was zeker: "Ik zal naar Ninevé gaan en Uw boodschap verkondigen als U mij nog een kans geeft."
Jona kon zichzelf niet redden, en niemand op aarde kon hem redden, maar de Heer kon het wel, want "het heil is van de Heer!" (Jona 2:9b, NBG51) Dit is een citaat uit Psalm 3:9 en 37:39 en het is de centrale verklaring in het boek. Het is ook het centrale thema van de Bijbel. Wat was Jona wijs om het Woord van God te memoriseren; want het kunnen citeren van de Schrift, vooral het boek Psalmen, gaf hem licht in de duisternis en hoop in zijn schijnbaar hopeloze situatie.
“En [de vis] spuwde Jona uit op het droge land.” Wat een beschamende manier voor een vooraanstaand profeet om aan land te komen! In hoofdstuk 1 behandelden de zeelieden Jona als een gevaarlijke lading die overboord gegooid moest worden, en nu wordt hij behandeld als een vreemde substantie die uit het lichaam van de vis wordt uitgebraakt. Maar toen Jona ophield een gehoorzaam profeet te zijn, deed hij zichzelf tekort, dus hij is degene die de schuld draagt. We kunnen er zeker van zijn dat hij behoorlijk vernederd was toen hij weer op het droge stond.
Het wonder. Weinig wonderen in de Schrift zijn zo vaak aangevallen als dit wonder, en christelijke geleerden hebben verschillende soorten bewijs verzameld om aan te tonen dat het zou kunnen gebeuren. Aangezien de Bijbel ons niet vertelt wat voor soort vis Jona opslokte, hoeven we geen haaien en walvissen op te meten of de geschiedenis af te speuren naar soortgelijke incidenten. Het was een “bereide” vis (1:17), door God ontworpen voor deze gelegenheid, en daarom was hij geschikt voor de taak. Jezus trok de historiciteit van het wonder niet in twijfel, dus waarom zouden wij dat wel doen?
Het teken (Matt. 12:39; 16:4; Lucas 11:29). Het “teken van Jona” wordt gezien in zijn ervaring van “dood”, begrafenis en opstanding op de derde dag, en het was het enige teken dat Jezus aan de natie Israël gaf. Met Pinksteren predikte Petrus de opstanding (Handelingen 2:22-26) en zo deed Paulus ook toen hij tot de Joden in andere naties predikte (13:26-37). In feite ligt de nadruk in het boek Handelingen op de opstanding van Jezus Christus; want de apostelen waren “getuigen van de opstanding” (2:32; 3:15; 5:32; 10:39).
Sommige studenten hebben moeite met de uitdrukking “drie dagen en drie nachten”, vooral omdat zowel de Schrift als de traditie aangeven dat Jezus op vrijdag werd gekruisigd. Om de integriteit van de Schrift te beschermen, hebben sommigen gesuggereerd om de kruisiging terug te verplaatsen naar donderdag of zelfs woensdag. Maar voor de Joden werd een deel van een dag als een hele dag behandeld, en we hoeven “drie dagen en drie nachten” niet te interpreteren als precies tweeënzeventig uur. Wat dat betreft kunnen we niet bewijzen dat Jona precies tweeënzeventig uur in de vis zat. Het belangrijkste is dat Jona eeuwen na de gebeurtenis een “teken” werd voor het Joodse volk en hen naar Jezus Christus wees.
Jona was nu vrij om de Heer te gehoorzamen en Gods boodschap naar Ninevé te brengen, maar hij had nog steeds lessen te leren.
